Welkom 2026

Hé, ben je benieuwd welke tijd we eigenlijk hebben?

Moeilijkheden zijn er om overwonnen te worden, zo luidt het gezegde. Maar hebben wij daarvoor voldoende geestkracht? Voor velen is de druk bijna ondraaglijk geworden. De krachten om ons heen oefenen invloed uit, en steeds vaker ervaren we dat wij een speelbal dreigen te worden van machten die groter zijn dan wijzelf.

Daarom is de vraag onontkoombaar: In hoeverre zijn wij bereid om met een Bijbelse blik naar de toekomst te kijken?

Even stilstaan

‘Broeders en zusters, ik verbeeld me niet dat ik mijn doel al heb bereikt. Maar ik doe maar één ding: ik vergeet wat voorbij is en strek mij uit naar wat nog komen gaat. Ik span mij tot het uiterste in om mijn doel te bereiken. Dat doel is: het winnen van de hemelse prijs die God mij in Jezus Christus zal geven. Ik zal die prijs krijgen als ik de taak af heb die Hij mij heeft gegeven.’ Filippenzen 3:13-14 BB

Paulus spreekt hier niet als iemand die het gemaakt heeft. Veel meer wel hij duidelijk maken dat hij is als iemand die onderweg is. Hoewel hij een apostel is, met diepe geestelijke ervaringen, zegt hij eerlijk: “Ik verbeeld me niet dat ik mijn doel al heb bereikt.” Dat is opmerkelijk. Paulus rust niet op zijn bekering, niet op zijn roeping, niet op zijn successen in de dienst van God. Hij weet: het leven met Christus is geen stilstand, maar een tocht.

Daarom zegt hij: “Ik doe maar één ding.” Dat ene ding geeft focus. Het christelijk leven wordt hier niet beschreven als versnipperd, maar als gericht. Paulus weigert zich te laten bepalen door wat achter hem ligt. Dat omvat zowel zijn zonden en falen van vroeger, als zijn geestelijke prestaties. Het verleden mag hem niet binden: niet door schuld, maar ook niet door zelfgenoegzaamheid.

“Ik vergeet wat voorbij is en strek mij uit naar wat nog komen gaat.” Dat beeld is, dat van een hardloper, die zich vooroverbuigt, alles in zijn lichaam richt op de finish. Het is geen achteloos voortgaan, maar een intens verlangen. Paulus leeft vanuit de toekomst die God heeft beloofd, niet vanuit wat hij al heeft meegemaakt.

Vervolgens zegt hij: “Ik span mij tot het uiterste in om mijn doel te bereiken.” Dat betekent niet dat hij zichzelf wil redden door inspanning, maar dat genade nooit tot gemakzucht leidt. Gods genade wekt juist heilige inzet. Wie door Christus gegrepen is, wil Hem ook volgen, koste wat het kost.

Het doel zelf wordt duidelijk benoemd: “de hemelse prijs die God mij in Jezus Christus zal geven.” Die prijs is uiteindelijk volledige gemeenschap met Christus, het delen in Zijn heerlijkheid, het voltooide heil. Het is geen aardse beloning, maar een goddelijke roeping, van bovenaf gegeven.

Ten slotte zegt Paulus: “Ik zal die prijs krijgen als ik mijn taak af heb die de Here mij heeft gegeven.” Zijn leven ziet hij als een ‘toevertrouwde opdracht.’ Niet zelfgekozen, maar door God gegeven. En trouw zijn tot het einde is voor Paulus geen last, maar een voorrecht. 

Paulus leert ons hier dat het christelijk leven een weg is van nederige eerlijkheid, gerichte toewijding en hoopvolle volharding. Niet leven uit het verleden, maar uit Gods toekomst. Niet tevreden zijn met “ver genoeg”, maar verlangend uitzien naar de dag dat Christus alles in allen zal zijn.

Maar nu naar deze tijd

  • Zijn we inmiddels gewend geraakt aan dat onzekere leven?
  • Gaan we beter om met plannen die niet zijn uitgekomen?
  • Hoe staat het met onze veerkracht, onze hoop, onze verwachting?
  • Hoe gaan wij het nieuwe jaar eigenlijk tegemoet?

Het zijn zomaar een aantal vragen – misschien wel een paar vragen te veel. Maar ze dringen zich aan ons op wanneer we om ons heen kijken. Alles lijkt los te staan, onzeker, wankel.

Hé, ben je benieuwd welke tijd we eigenlijk hebben?

Moeilijkheden zijn er om overwonnen te worden, zo luidt het gezegde. Maar hebben wij daarvoor voldoende geestkracht? Voor velen is de druk bijna ondraaglijk geworden. De krachten om ons heen oefenen invloed uit, en steeds vaker ervaren we dat wij een speelbal dreigen te worden van machten die groter zijn dan wijzelf.

Daarom is de vraag onontkoombaar: In hoeverre zijn wij bereid om met een Bijbelse blik naar de toekomst te kijken?

Voor mijzelf stel ik die vraag heel persoonlijk: Ben ik een mens van gisteren, of een mens van morgen van de toekomst? Ik mag leren onderscheiden tussen heden en toekomst. Daaruit groeit een volwassen bereidheid om het leven te aanvaarden zoals het zich dagelijks aandient.

Maar ben ik ook bereid mijn zorgen en ziek zijn werkelijk over te dragen aan Hem Die zegt dat ik mijn zorgen op Hem mag werpen? Werpen betekent immers: zichtbaar loslaten. Iets uit handen geven en er geen bezit meer van willen zijn. Soms vraagt dat zelfs om het verwaarlozen van het oude, opdat er ruimte komt voor een nieuwe toekomst. Te vaak heeft het heden immers kans gezien mijn dag – ja, mijn leven – te overschaduwen, te vergallen?

Ben ik bereid om alles wat anderen menen van God ontvangen te hebben, klakkeloos mee te nemen in mijn eigen levensweg? De Schrift zegt:

“De moeilijkheden van dit moment zijn licht en duren maar kort, vergeleken met de heerlijke en eeuwige dingen die daardoor voor ons klaar liggen.” 2 Korintiërs 4:17, BB.

Maar lijkt bereid zijn soms niet op het genieten van een mooie dag, terwijl we de nacht als dauw laten komen, om morgen opnieuw het licht te ontvangen?

Bereid zijn betekent uiteindelijk niets anders dan keuzes maken.

Er wordt ons veel aangeboden, maar de keuze zal moeten vallen op datgene waarvan wij weten dat het van God komt. Leven wij in de bereidheid om te gehoorzamen aan het grote gebod? 

“U moet de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.” Lukas 10:27, BB.

Dat vraagt om aanvaarding én om bereidheid om te leren onderscheiden wat werkelijk van God is. Dan krijgt bereid zijn ook deze lading: 

Als iemand meent godsdienstig te zijn, maar zijn tong niet in bedwang houdt, bedriegt hij zichzelf. Zijn godsdienst is zonder waarde.” Jakobus 1:26, HTB.

God liefhebben en de naaste als jezelf – maar wat als iemand geen eigenwaarde kent, geen liefde voor zichzelf? Hoe arm komt de naaste er dan vanaf? Is dat misschien de reden dat we elkaar vaker ontmoeten bij de koffiepot dan bij het kruis van Christus?

Zijn wij bereid dit onder ogen te zien, zodat God ons werkelijk kan roepen – en wij Zijn stem ook werkelijk verstaan?

En wat te denken van Gods eigen bereidheid?

Zijn bereidheid om Zijn Zoon, ja Zijn enige Zoon, te geven voor onze zonden. Het klinkt zo rijk wanneer wij horen:

“Daarom kijken wij niet naar wat zichtbaar is, maar naar wat nog onzichtbaar is. Want wat zichtbaar is, is tijdelijk, maar wat onzichtbaar is, is eeuwig.” 2 Korintiërs 4:18, HTB.

Hoe vaak ontdekken wij niet dat het ons ontbreekt aan bereidheid om God te ontmoeten – aan bereidheid voor de eeuwigheid?

Wat zijn dan de bouwstenen voor het nieuwe jaar?

Is er iets wat alles overstijgt? Ja – hoe eenvoudig en hoe diep tegelijk: geloof. Dáár draait het om. Wie zoekt zal vinden, en wie vindt, gaat begrijpen wat ons in Jezus Christus geschonken is. Kunnen onze geloofsdaden het tempo van de tijd bijhouden?

Wat een genade dat wij bereid mogen zijn om te kiezen. Dat wij ons hart niet hoeven te verharden, maar ons mogen laten leiden, zodat het geloof richting geeft aan ons leven. Want hoe kan een gelovige leven, groeien en God verheerlijken zonder een levende relatie met Hem?

Ben ik bereid?

Ben jij bereid?

Zijn wij samen bereid – ja, is de hele gemeente bereid?

Wat zou dat zichtbaar maken van Gods overwinning, behaald door Jezus Christus op het rijk van de duisternis. En wat is daarop de beste voorbereiding? Dat is – en blijft – bereid zijn tot gebed.

Is dat moeilijk in 2026?

Misschien wel. Maar wat zal het óns brengen??

Ons geloof zal niet automatisch groeien, maar de daden van ons geloof wel. En juist die daden laten ons uitgroeien tot volwassen gelovigen. Jezus sprak over kleingelovigen – niet vanwege gebrek aan woorden, maar vanwege gebrek aan vrucht.

Wat kan ons bereid zijn betekenen voor het nieuwe jaar?

Dit is een eenvoudige verhaal, opgetekend tijdens een gesprek in de kerk. En de vraag die je hierbij kunt stellen is: “Wat kan de kerk hiermee?”

Nee, niet met haast, niet met een agenda vol plannen, maar met een stilte die langer duurde dan gebruikelijk. Iemand zei uiteindelijk: “Misschien hoeven we niet iets nieuws te doen, maar anders te zijn.”

Langzaam werd duidelijk dat het niet ging om een programma, maar om onze houding.

De kerk had geleerd veel te verklaren in dikke boeken. Woorden waren altijd voorhanden geweest: bij ziekte, bij verlies, bij verwarring. Maar steeds vaker bleken die woorden te snel te komen. En zo groeide het besef dat aanwezigheid soms heilzamer is dan uitleg. In het pastoraat betekende dat: eerst luisteren en geduld hebben. Betrokken blijven, ook wanneer er geen antwoord is. In de prediking betekende het ruimte laten voor psalmen die niet oplossen, voor vragen die blijven hangen. Mensen voelden zich niet meteen begrepen, maar wél gezien. En dat herstelde iets wat kwetsbaar was geworden: vertrouwen.

Gaandeweg ontdekte men ook iets anders. Waarheid bleek niet alleen iets wat gezegd moest worden, maar iets wat gedragen moest worden. Waar woorden geen mededogen hadden, werden ze hard. En waar mededogen losraakte van waarheid, werd het leeg. De kerk begon haar theologie te toetsen aan een eenvoudige vraag: helpt dit iemand ademen, zijn ‘geestelijke mens ontdekken? Pastorale werkers leerden minder snel het juiste antwoord te geven, en meer aandacht te hebben voor de juiste toon. Waarheid werd geen last die werd opgelegd, maar een last die samen werd gedragen.

Er kwam ook ruimte voor iets wat lang ongemakkelijk was geweest: Gods zwijgen. (Dank aan het leven Job) Niet alles hoefde meer verklaard te worden als zinvol of goed bedoeld. Soms was het genoeg om te erkennen dat God niet hoorbaar was. Dat lijden niet meteen heilig hoefde te worden genoemd. Klacht, protest en twijfel kregen een plaats — niet als tekort aan geloof, maar als vormen van geloof. En juist daardoor werd de kerk een plek waar mensen durfden te komen.

Zo veranderde ook het verstaan van troost. Troost was niet langer het corrigeren van iemands blik, maar het delen van iemands weg. Niet: “Je moet dit zo zien,” maar: “Ik loop een stukje met je mee.” Pastoraat werd minder een snelle interventie en meer een langdurige aanwezigheid. Gemeenteleden ontdekten dat ze niet altijd iets hoefden te zeggen om iets te betekenen. Troost werd relationeel, tastbaar, menselijk.

En tenslotte groeide het besef dat niemand alleen hoeft te dragen wat te zwaar is. Lijden werd niet langer geïndividualiseerd, maar gedeeld. De gemeente leerde dragen — samen. Namen werden genoemd in gebeden. Kaarsen aangestoken. Stilte gehouden. Rituelen ontstonden waarin verlies en gebrokenheid een plaats kregen. Niet als zwakte, maar als onderdeel van het leven voor Gods aangezicht.

Zo werd zichtbaar wat de kerk beleed.

En aan het eind van het gesprek zei iemand zacht:

“Misschien wordt de kerk juist geloofwaardig waar zij minder uitlegt… en meer meeloopt.” Welke aantrekkingskracht kan daarvan uitgaan naar hen die God nog niet kennen?

Laten we bidden dat in 2026, God geeft wat nodig is voor de verkondiging van het verlossende Woord, en van de overwinning van Jezus Christus.

Ik ga voor een gezegend 2026, u ook?

Voor u geschreven, Fred IJzerman.

Auteur: Fred IJzerman
Datum gemaakt: 1-1-2026
Versie: 3
Categorie: Nieuwjaar
  • Waardering
  • Hoeveel sterren geeft u dit artikel?